De Collegianten

Rijnsburgse Collegianten bijeen in 1735

In 1587 arriveerde Jacobus Arminius (of Jacob Harmensz) in de stad Amsterdam. Het was voor hem geen probleem werk te vinden, want zijn curriculum vitae was indrukwekkend. Op 21-jarige leeftijd was hij aan de Nederlandse Universiteit van Leiden afgestudeerd. Daarna had hij zes jaar doorgebracht in Zwitserland, waar hij theologie had gestudeerd onder Theodorus Beza, de opvolger van de protestantse hervormer Johannes Calvijn. Geen wonder dat de protestanten in Amsterdam de 27-jarige Arminius graag als een van hun predikanten aanstelden! Enkele jaren later hadden veel kerkleden echter spijt van hun keus. Hoe kwam dit?

Kwestie predestinatie

Kort nadat Arminius de kansel betrad, rezen er onder de Amsterdamse protestanten spanningen over de predestinatieleer. Deze leerstelling vormde de kern van het calvinisme, maar sommige kerklidmaten waren van mening dat een God die voor sommigen redding en voor anderen verdoemenis had gepredestineerd, hardvochtig en onrechtvaardig was. De calvinisten meenden dat Arminius, als leerling van Beza, de andersdenkenden zou corrigeren. Maar tot grote consternatie van de calvinisten koos Arminius in plaats daarvan de zijde van de andersdenkenden. Omstreeks 1593 was het meningsverschil zo hoog opgelopen dat de protestanten van de stad hierdoor in twee groepen uiteenvielen — de ondersteuners van de leerstelling en degenen die haar verwierpen, de gematigden.

Binnen enkele jaren groeide dit plaatselijke dispuut uit tot een landelijk protestants schisma. Uiteindelijk, in november 1618, leidde de situatie tot een krachtmeting. De calvinisten, gesteund door het leger en de openbare mening, ontboden de dissidenten (destijds remonstranten* genoemd) op een nationale kerkvergadering, de protestantse Dordtse Synode genoemd. Aan het einde van de bijeenkomst werden alle remonstrantse predikanten voor de volgende keus gesteld: Een belofte om nooit meer te prediken ondertekenen of het land verlaten. De meesten kozen voor verbanning. De afgezette remonstrantse predikanten werden op de kansels vervangen door strenge calvinisten. Het calvinisme had gewonnen — dat hoopte de synode althans.

Opkomst Collegianten

Evenals elders verloor de remonstrantse gemeente in het dorp Warmond, in de buurt van Leiden, haar predikant. Maar in tegenstelling tot wat elders gebeurde, verwierp de gemeente de door de synode goedgekeurde plaatsvervanger. Bovendien verwierpen sommige gemeenteleden eveneens een remonstrantse predikant die in 1620 zijn leven waagde om naar Warmond terug te keren teneinde voor de gemeente zorg te dragen. Deze gemeenteleden waren ermee begonnen hun godsdienstige bijeenkomsten in het geheim en zonder de hulp van een predikant te houden. Later werden deze bijeenkomsten colleges genoemd en de bezoekers collegianten.

Hoewel de collegianten meer als gevolg van de omstandigheden dan op grond van religieuze beginselen waren ontstaan, kwam er al gauw verandering in die situatie. Het gemeentelid Gijsbert van der Codde betoogde dat de groep, door zonder klerikaal toezicht te vergaderen, nauwkeuriger met de bijbel en de inrichting van de godsdienstoefeningen van de vroege christenen overeenkwam dan de gevestigde kerken. De klasse van geestelijken, zo zei hij, was na de dood van de apostelen uitgevonden om banen te creëren voor mannen die niet bereid waren een ambacht te leren.

In 1621 verplaatsten Van der Codde en gelijkdenkende leden hun bijeenkomsten naar het naburige dorp Rijnsburg.* Enige jaren later, toen de religieuze vervolging plaats had gemaakt voor verdraagzaamheid, verbreidde de reputatie van de bijeenkomsten van de collegianten zich over het hele land en trokken de colleges „vogels van diverse pluimage” aan, zoals de historicus Siegfried Zilverberg het stelde. Er bevonden zich remonstranten, doopsgezinden, socinianen en zelfs theologen onder hen. Sommigen waren boeren. Anderen waren dichters, drukkers, geneesheren en kleinhandelaars. De filosoof Spinoza (Benedictus de Spinoza) en de opvoedkundige Johan Amos Comenius (of Jan Komenský), alsook de beroemde schilder Rembrandt van Rijn, sympathiseerden met de beweging. De verschillende ideeën die deze vrome mensen meebrachten, oefenden invloed uit op de ontwikkeling van de geloofsovertuigingen van de collegianten.

Na 1640 groeide deze dynamische groep snel. Er ontstonden colleges in Rotterdam, Amsterdam, Leeuwarden en andere steden. De hoogleraar geschiedenis Andrew C. Fix merkt op dat de collegiantische beweging tussen de jaren 1650 en 1700 „uitgroeide tot een van de belangrijkste en invloedrijkste religieuze krachten in het zeventiende-eeuwse Holland”.

Hun geloofsleren en overtuigingen

Aangezien de rede, verdraagzaamheid en vrije meningsuiting de kenmerken van de collegiantische beweging vormden, waren individuele collegianten vrij er uiteenlopende geloofsovertuigingen op na te houden. Toch waren zij door enkele gemeenschappelijke overtuigingen met elkaar verbonden. Alle collegianten beseften bijvoorbeeld de belangrijkheid van persoonlijke bijbelstudie. Ieder lid, zo schreef een van hen, dient „zelf een onderzoek in te stellen en God niet via iemand anders te leren kennen”. En dat deden zij inderdaad. Volgens de negentiende-eeuwse kerkhistoricus Jacobus C. van Slee werd er onder de collegianten meer bijbelkennis aangetroffen dan in andere destijds bestaande religieuze groeperingen. Zelfs tegenstanders prezen de collegianten voor hun bekwaamheid de bijbel vaardig te hanteren.

Hoe meer de collegianten echter de bijbel bestudeerden, des te meer ontwikkelden zij overtuigingen die verschilden van wat er in de gevestigde kerken werd geleerd. Bronnen die uit de zeventiende tot de twintigste eeuw dateren, geven een beschrijving van enkele van hun geloofsovertuigingen.

De vroege kerk. De collegiant en theoloog Adam Boreel schreef in 1644 dat toen de vroege kerk ten tijde van keizer Constantijn betrokken raakte bij politiek, ze haar verbond met Christus verbrak en de inspiratie van de heilige geest verloor. Hij voegde eraan toe dat valse leerstellingen als gevolg hiervan toenamen en tot zijn tijd waren blijven bestaan.

De Hervorming. De zestiende-eeuwse Hervorming onder leiding van Luther, Calvijn en anderen was niet ver genoeg gegaan in het hervormen van de kerk. In plaats daarvan, aldus de vooraanstaande collegiant en arts Galenus Abrahamsz de Haen (1622–1706), had de Hervorming de religieuze situatie verergerd door aanleiding te geven tot geruzie en haat. Ware hervorming moest het hart veranderen, iets wat de Hervorming had verzuimd.

De kerk en de geestelijkheid. De gevestigde kerken zijn corrupt, wereldsgezind en verstoken van goddelijk gezag. Wie religie ernstig opvat, doet er beslist goed aan de kerk waartoe hij behoort te verlaten om niet medeplichtig te worden aan haar zonden. Het ambt van predikant is, zo zeiden de collegianten, in strijd met de Schrift en „schadelijk voor het geestelijke welzijn van de christelijke gemeente”.

Het Koninkrijk en het Paradijs. Een van de stichters van het Amsterdamse college, Daniël de Breen (1594–1664), schreef dat Christus’ koninkrijk niet een geestelijk koninkrijk was dat in iemands hart zetelde. De leraar Jacob Ostens, een collegiant in Rotterdam, zei dat „de patriarchen uitzagen naar aardse beloften”. Zo zagen ook de collegianten uit naar de tijd waarin de aarde in een paradijs veranderd zou worden. Enigen beweerden dan ook dat Openbaring 5 vers 10 beschreef dat de mederegeerders OP(epi) aarde gingen regeren een 1000 jaar. Hetzelfde werd door de Socinianisten beweerd in het algemeen.

De Drie-eenheid. Enkele vooraanstaande collegianten, beïnvloed door sociniaanse geloofsovertuigingen, verwierpen de Drie-eenheid.* Daniël Zwicker (1621–1678) bijvoorbeeld schreef dat elke leer die strijdig was met de rede, zoals de Drie-eenheid, „onmogelijk en vals” was. Ook werd Johannes 1 vers 1 uitgelegd door enigen dat het "woord" geen persoon was of een god. Het zou gaan om het plan Gods voor de mensheid die wordt uitgevoerd door Jezus van Nazareth.....

Hun bijeenkomsten in Nederland

Hoewel de collegianten het niet allemaal met elkaar eens waren wat hun geloofsovertuigingen betrof, ging het er op hun colleges in de verschillende steden vrijwel op dezelfde manier aan toe. De geschiedschrijver Van Slee bericht dat de bijeenkomsten in de vroege dagen van de collegiantische beweging nauwelijks van tevoren werden voorbereid. Op grond van Paulus’ woorden over de noodzaak te „profeteren”, waren de collegianten van mening dat alle mannelijke leden het college vrijelijk konden toespreken (1 Korinthiërs 14:1, 3, 26). Als gevolg hiervan duurden de bijeenkomsten vaak tot diep in de nacht, zodat sommige aanwezigen indommelden en zelfs ’vast sliepen’.

Later werden de bijeenkomsten beter georganiseerd. De collegianten kwamen niet alleen ’s zondags maar ook op doordeweekse avonden bijeen. Om de spreker en de gemeente in staat te stellen zich van tevoren op alle bijeenkomsten van dat jaar voor te bereiden, verschafte een gedrukt programma een lijst van de te beschouwen bijbelverzen als ook de initialen van de sprekers. Nadat de bijeenkomst met lied en gebed was geopend, legde een spreker de bijbelverzen uit. Wanneer hij daarmee klaar was, vroeg hij de mannen om commentaar op het zojuist besproken onderwerp. Vervolgens maakte een tweede spreker de toepassing van dezelfde verzen duidelijk. De bijeenkomst werd met gebed en een lied besloten.

De collegianten in de stad Harlingen, in de provincie Friesland, hadden een nieuwe manier bedacht om hun bijeenkomsten volgens schema te laten verlopen. Een spreker die langer sprak dan was toegestaan, moest een kleine boete betalen.

De collegianten zagen ook de noodzaak van grotere bijeenkomsten in. Te beginnen in 1640 reisden collegianten uit het hele land daarom tweemaal per jaar (in het voorjaar en de zomer) naar Rijnsburg. Deze bijeenkomsten, zo schrijft de historicus Fix, stelden hen in staat „op de hoogte te raken van de ideeën, meningen, geloofsovertuigingen en activiteiten van hun broeders van heinde en ver”.

Sommige bezoekende collegianten huurden een kamer bij de ingezetenen, terwijl andere hun intrek namen in het Groote Huis, een herenhuis dat dertig kamers telde en eigendom was van de collegianten. Er werden daar gemeenschappelijke maaltijden voor zestig tot zeventig personen geserveerd. Na de maaltijd konden de bezoekers door de uitgestrekte tuin van het herenhuis wandelen om te genieten van ’Gods werken, een rustig gesprek of een ogenblik van stille overpeinzing’.

Hoewel niet alle collegianten de doop noodzakelijk achtten, waren velen van hen deze mening wel toegedaan. Zo werd de doop een kenmerk van de grote bijeenkomsten. De geschiedschrijver Van Slee zegt dat de plechtigheid gewoonlijk op zaterdagochtend plaatsvond. Lied en gebed werden gevolgd door een toespraak over de noodzaak van onderdompeling. Daarna nodigde de spreker de volwassenen die gedoopt wilden worden uit een geloofsbelijdenis af te leggen, zoals: „Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van de levende God is.” Nadat de toespraak met gebed was besloten, begaven alle aanwezigen zich naar het doopbassin en waren er getuige van dat mannen en vrouwen in het bassin neerknielden, zodat het water tot hun schouders reikte. Vervolgens dompelde de doper het hoofd van de nieuwe gelovige langzaam voorover onder water. Na de plechtigheid keerden allen naar hun zitplaats terug om nog een toespraak aan te horen.

Op zaterdagmiddag om vijf uur begon de eigenlijke bijeenkomst met een korte bijbellezing, lied en gebed. Om ervoor te zorgen dat er altijd een spreker voorhanden was, werden de colleges van Rotterdam, Leiden, Amsterdam en Noord-Holland bij beurtregeling met de spreekbeurten voor elke samenkomst belast. De zondagmorgen was voor de Avondmaalsviering bestemd. Na een toespraak, gebed en lied gebruikten de mannen en daarna de vrouwen van het brood en de wijn. Op zondagavond volgden er nog meer toespraken, en op maandagmorgen kwam iedereen bijeen voor de afscheidsrede. De meeste lezingen die op deze grote bijeenkomsten werden gehouden, zo merkt Van Slee op, waren van praktische aard, zodat er meer nadruk werd gelegd op de toepassing dan op de uitleg.

Het dorp Rijnsburg was blij de bezoekers van deze bijeenkomsten te gast te hebben. Een achttiende-eeuwse waarnemer schreef dat de toevloed van vreemdelingen, die heel wat verteerden, behoorlijke inkomsten voor het dorp opleverde. Bovendien schonken de collegianten na elke grote bijeenkomst een som aan de armen van Rijnsburg. Het dorp heeft het ongetwijfeld als een verlies ervaren toen er in 1787 een eind kwam aan die bijeenkomsten. Daarna kwijnde de beweging der collegianten weg. Hoe kwam dit?

Waarom ze verdwenen 

Tegen het einde van de zeventiende eeuw was er een dispuut gerezen over de rol van de rede in religie. Sommige collegianten waren van mening dat aan menselijke redeneringen meer waarde toegekend moest worden dan aan goddelijke openbaring, maar andere waren het hier niet mee eens. Uiteindelijk veroorzaakte het geschil een scheuring in de hele beweging van de collegianten. Pas nadat de belangrijkste voorstanders van beide zijden van het dispuut waren gestorven, verenigden de collegianten zich weer. Toch was de beweging na deze scheuring „nooit meer wat ze geweest was”, merkt de historicus Fix op.

De toenemende verdraagzaamheid binnen de achttiende-eeuwse protestantse kerken heeft ook tot de achteruitgang van de collegianten bijgedragen. Toen de collegiantische beginselen ten aanzien van de rede en verdraagzaamheid ingang vonden bij de gemeenschap in het algemeen, „versmolt het eens eenzame licht van het collegiantisme met de glanzende dageraad van de Verlichting”. Tegen het einde van de achttiende eeuw waren de meeste collegianten opgegaan in de doopsgezinde broederschap en andere religieuze groeperingen.

Omdat de collegianten zich geen eenheid van denken binnen hun beweging ten doel stelden, waren er ongeveer evenveel verschillende zienswijzen als er collegianten waren. Zij erkenden dit en maakten er daarom geen aanspraak op ’in dezelfde gedachtengang verenigd’ te zijn, waartoe de apostel Paulus christenen aanmoedigde. Terzelfder tijd zagen de collegianten echter uit naar de tijd waarin fundamentele christelijke geloofsovertuigingen, zoals eenheid van denken, een realiteit zouden worden.

Gezien het feit dat de kennis in de tijd van enige collegianten met Sociniasten overvloedig was geworden, gaven zij een voorbeeld waaraan veel religies in deze tijd zich zouden kunnen spiegelen. Dat zij de noodzaak van bijbelstudie beklemtoonden, strookte met de raad van de apostel Paulus: „Vergewist u van alles” . Door persoonlijke bijbelstudie kwamen Jacobus Arminius en anderen te weten dat sommige langgekoesterde religieuze leerstellingen en gebruiken absoluut niet op de bijbel waren gebaseerd. Toen zij dit beseften, hadden zij de moed om het met de gevestigde religie oneens te zijn. Zou u dat ook hebben gedaan?

Conclusie;  De moed van enkelen binnen het Collegianisme samen met de nog radicalere Socinianisten zijn een groot voorbeeld voor mij. De hele reformatie was eigenlijk een farce en heeft nooit geleid tot de zuivere aanbidding. Tot nu toe , ondanks misplaatste claims van "Jehova Getuigen" is de zuivere aanbidding nooit hersteld op aarde. Er is ook geen valse en ware religie op aarde.........